De Latijnse naam voor een mol is Talpa Europaea.
Ze hebben een staartlengte van 13 tot 15 cm, ze zijn zwart, wit, goudkleurig of lichtbruin van kleur, hebben tastharen op het staartpuntje en op de buitenkant van de graafpoten en de poten zijn breed met brede nagels.

Het voortplantingsseizoen loopt van maart tot juni. De draagtijd is 3 weken en een worp bevat meestal 3 tot 5 jongen. Na 6 tot 7 weken gaan de jongen zelfstandig op zoek naar voedsel. Gemiddeld 40% van de jonge mollen overleeft het eerste jaar. Na 9 weken worden de jongen door de moeder verdreven uit het gangenstelsel. Mollen worden gemiddeld 3 jaar.

Mollen kunnen naast goed graven ook goed zwemmen en klimmen.
Ze graven met een snelheid van 15 meter per uur.
Ze kunnen zich achterwaarts door de gang bewegen.
Ze leven van regenwormen en insectenlarven die in de gang terechtkomen.

Bestrijden van mollen doen we door het zetten van klemmen op strategische plaatsen.